Pinot Noir

De beroemde Pinot Noir geeft lichtrode en fluweelzachte wijnen. Drink je hem jong, dan heb je een grote kans op aardbeien, frambozen en viooltjes in de neus. Oudere Pinot Noirs ruiken naar rijpe aardbeien en pruimen. Ze hebben vaak iets ‘aards’ dat associaties oproept van ‘stal’ of ‘wild’. Maar altijd zijn het vrij lichte, delicate wijnen met weinig tannine.

De Bourgogne is de roemrijke bakermat van de Pinot Noir. Alle rode wijn met Bourgogne op het etiket is van Pinot Noir gemaakt. Tenzij er Bourgogne Passe-Tout-Grains op de fles staat. Want alleen dan heb je te maken met een blend van Gamay en Pinot Noir.

Buiten Frankrijk hebben wijnmakers jarenlang geprobeerd de stijl van de Bourgogne zo goed mogelijk na te bootsen. Dat bleek onbegonnen werk. Het terroir van de Bourgogne valt nu eenmaal niet na te bootsen. Pas toen wijnmakers elders hun eigen weg gingen, werd hun Pinot Noir steeds beter.

Het is geen makkelijk plantje. Hij is gevoelig voor ziekten en schimmels. Hij gedijt alleen in koelere klimaten en vergt veel aandacht van de wijnmaker. Zoals de Amerikaanse wijnmaker André Tchelistcheff het ooit verwoordde: ‘God maakte de Cabernet Sauvignon, maar de duivel maakte de Pinot Noir’.

Je komt de Pinot Noir tegen in Alto Adige in Noord-Italië, waar hij Pinot Nero of Blauburgunder wordt genoemd en fraaie wijnen kan opleveren. In Duitsland geeft hij – als Spätburgunder – wijnen die tot de mooiste rode wijn het land horen. Ook in Oostenrijk worden uitstekende Pinot Noirs gemaakt.

In Californië is de Pinot Noir al jaren aan een grote opmars bezig en waarschijnlijk staan hier de meeste Pinot Noir stokken ter wereld. Vooral in de mistige, koelere delen rond San Francisco doet hij het uitstekend. Tenslotte is de Pinot Noir uit Zuid-Amerika, in het bijzonder Chili, in opkomst. Niet in de laatste plaats vanwege de gunstige prijzen.