Kerner

De witte Kerner druif geeft kruidige, frisse witte wijnen. Ze zijn vaak bloemig in de neus en fris in de smaak met groene appel en citrus. Hij wordt zelden gemengd maar heeft de hele fles voor zich alleen en daar kun je hem het beste binnen een jaar of drie weer uithalen.

De Kerner bestaat nog niet zo lang. Hij werd pas in 1929 in Duitsland gekruist uit Trollinger (ook wel: Vernatsch) en Riesling en er mag pas sinds 1969 wijn van Kerner worden gemaakt. Hij is vernoemd naar Justinus Kerner, een Duitse arts die zijn patiënten liever een glas wijn dan een pil of zalfje voorschreef en die bovendien een verdienstelijk componist van drankliederen moet zijn geweest.

De Kerner werd meteen enthousiast onthaald door wijnmakers, want hij is niet snel ziek, doet niet moeilijk en – last but not least – hij geeft een grote opbrengst per hectare. Van de Kerner is bovendien prima wijn te maken. Maar vergelijk hem niet met de Riesling. Je vindt de Kerner vooral in Duitsland. Elders zijn er plukjes wijngaarden met Kerner in Alto Adige, Zwitserland, Engeland en zelfs in Nederlandse wijngaarden schijnt hij voor te komen.